De dreiging van de bureaucratieboemerang

Net nu gemeenten hard bezig zijn om van de lokale bureaucratie af te komen, dreigen de extra regels en controlesystemen weer terug te komen, schrijven Sophie Albers en Harry Kruiter van het Instituut voor Publieke Waarden.

Een fictief voorbeeld: Rian werkt in een sociaal wijkteam in een middelgrote gemeente. Ze is al twee jaar bezig om ervoor te zorgen dat buurtbewoners hulp krijgen op gebied van jeugd, werk en zorg. Rian en haar team zijn er om, samen met burgers, de zorg beter en goedkoper te maken. Lees verder

Bespaar op zorg door te investeren in bestaanszekerheid

De zorgkosten rijzen de pan uit en de politiek wringt zich in allerlei bochten om de kosten te beteugelen. Maar op zorg besparen kan veel simpeler dan nu gebeurt: door onnodige zorg te bestrijden, bepleiten Nienke Schlette en Harry Kruiter van het Instituut van Publieke Waarden.

Het nieuwe kabinet zet in op het voorkomen van onnodige zorg. Dat doet ze, onder andere, door meer zorg van de tweede lijn (zoals het ziekenhuis, een kliniek) naar de eerste lijn (dichtbij huis, zoals de huisarts en fysiotherapeut) te verplaatsen. “Dit leidt tot een afname van het beroep op de tweedelijnszorg”, schrijven zij in het regeerakkoord.

Hoe die verplaatsing precies vorm krijgt, vermeldt het regeerakkoord niet. Helaas. Want daarmee blijft het voorkomen van onnodige dure tweedelijns zorg de heilige graal van minder zorgkosten; ieder kabinet is er naarstig naar op zoek. Lees verder

Waarom de schaarste aan betaalbare woningen onbetaalbaar is

Een betaalbare huurwoning vinden is haast een heilloze missie. De oplossing voor de woningnood? Laat gemeenten en woningcorporaties lokaal bepalen wat nodig is, stellen Eelke Blokker en Albert Jan Kruiter van het Instituut voor Publieke Waarden.

Betaalbare huurhuizen zijn schaars. Zeker in de grote steden. Wachttijden lopen op tot gemiddeld acht jaar. Woningcorporaties, rijksoverheid en gemeenten proberen van alles om die periode te verkorten. Lees hier het artikel

Hoezo je eigen broek ophouden…

We horen het steeds vaker: “burgerinitiatieven moeten hun eigen broek ophouden.” Hoe burgerinitiatieven precies hun broek op moeten houden is ons niet duidelijk. Dat vertellen de lokale beleidsmakers, inkopers en subsidieverstrekkers er niet bij. Burgers moeten vooral “creatief zijn en niet altijd direct bij de gemeente aankloppen.” En als we doorvragen naar waar ze dan wel moeten aankloppen met al hun creativiteit krijgen we vaak het de nieuwe toverwoord te horen: de markt. “Bij de markt moeten ze aankloppen om hun broek op te houden.” Maar hoe ziet die markt er eigenlijk uit?

Rob is een initiatief begonnen om mensen met psychische en psychiatrische problemen naar werk te begeleiden. Toen hij zelf ziek was, heeft hij geleerd dat we dat in Nederland niet goed doen. We benaderen mensen teveel vanuit de ziekte; vanuit hun beperking. Daardoor krijgen mensen zelden een normale baan. In een normale omgeving. Terwijl dat goed mogelijk is, zo laat Rob al jaren zien. Meer dan 50 procent van de mensen die hij helpt vindt een normale baan. Terwijl ze anders dagbesteding zouden doen. Dat is extreem hoog voor deze doelgroep. Maar hoe moet Rob zijn broek ophouden? Op welke markt moet hij shoppen om nog meer mensen naar een normale baan te begeleiden?

Rob is behoorlijk creatief in het meekrijgen van werkgevers om deze doelgroep een normale baan te geven. Maar om vervolgens deze werkgevers ook nog voor zijn diensten te laten betalen zoals een commercieel uitzendbureau zou doen, dat voert wat ver. De enige markt waar Rob zich toe kan wenden is die van de gemeente. De gemeente koopt normaal voor deze doelgroep participatietrajecten, dagbesteding en begeleiding in. Maar Rob wil niet in deze markt werken. Als een soort nieuwe zorgclub. Hij wendt zich tot de gemeente omdat hij denkt dat deze voorzieningen voor een belangrijk deel failliet zijn. Ze werken niet voor de mensen die hij naar een normale baan begeleidt. En volgens Rob komt dat doordat de gemeente haar voorzieningen verkeerd inkoopt.

Daarom wil Rob de gemeente leren dat ze hun middelen beter anders kunnen inzetten. Maar dat lukt niet. Wel kloppen veel professionals hem geregeld op zijn schouders. Wat fantastisch dat hij dit als vrijwilliger doet. Maar Rob wil geen schouderklopjes. Rob wil dat mensen met een psychische of psychiatrische beperking als normaal worden gezien en begeleid. Maar hoe harder hij vrijwillig blijft rennen, des te minder verandert de markt om hem heen. En die markt is links- of rechtsom van de gemeente.

Ook na de decentralisaties zien we nog veel initiatiefnemers zoals Rob. Ze zijn ooit een initiatief gestart omdat er iets in onze gigantische verzorgingsstaat in hun ogen ontbrak of niet goed geregeld is. Vaak is daar per definitie geen markt voor. Als er geld voor was, had het immers wel al professioneel bestaan.

Gemeenten die willen dat dit soort initiatieven hun broek ophouden, houden hun eigen failliete markt in stand. Ten koste van de vrijwillige energie die bewoners er in steken. De uitdaging is om initiatieven zo te bekostigen dat ze helpen om failliete onderdelen van onze verzorgingsstaat te verbeteren. Want daar zijn de meest initiatiefnemers hun initiatief om begonnen.

Dit is de blinde vlek van de verzorgingsstaat

“Deze keer zou het toch moeten lukken?”, dacht Tony. Hij was al twee keer eerder bij de gemeente geweest om schuldhulpverlening aan te vragen. Toen hij zijn baan kwijtraakte, lukte het niet meer om maandelijks alle rekeningen te betalen.

De huur en het gas, water, licht gingen nog net. Maar al snel liep Tony achter met het betalen van zijn zorgverzekering, en het lukt hem niet om die achterstand in te halen. Daar heeft hij hulp bij nodig. Lees verder.

Eigen schuld dikke bult: het onnodige moeras van schulden

Michael is 32 jaar. Hij heeft een tijdje in een psychiatrische instelling gezeten, maar inmiddels woont hij weer in een beschermdwonencomplex. Daar vindt hij het veel prettiger, want hij heeft er meer vrijheid. Hij bouwt langzaam maar zeker zijn eigen leven weer op. Zolang hij geen grote stress ervaart, gaat dat goed. Van zijn uitkering kan hij net rondkomen.

Maar dan slaat het noodlot toe. De Belastingdienst stuurt hem een brief. Over de kinderopvangtoeslag van een paar jaar geleden die Michael nog moet terugbetalen. Die is toen verkeerd berekend. Of hij even 4000 euro wil overmaken. Het liefst een beetje snel. Lees verder

Beste overheid, stop met die leeftijdsgrens voor zorg

Een psychose houdt niet op op de dag dat je achttien jaar wordt, maar de zorg die je krijgt wel. Albert Jan Kruiter en Eelke Blokker over de bizarre leeftijdsgrens die de overheid hanteert.

Loes wordt over drie weken achttien jaar. Dat is een probleem. Loes zit in een zorginstelling. En als ze achttien wordt, houdt de financiering van haar zorg op. Niet omdat ze geen zorg meer nodig heeft. Maar omdat ze achttien wordt. Ze weet nog niet wat ze dan gaat doen. Terug naar haar ouders kan ze niet. Een eigen kamer misschien? Maar hoe gaat ze dat betalen? En waar dan? Lees verder

Meten is Weten

Yvonne is diep ongelukkig. Weer een afwijzing. Laatst probeerde ze het voor de vier keer. Telkens was het spannend. Telkens moest ze een drempel over. Maar ze ging toch naar de sociale dienst. Want ze had die uitkering echt nodig. Iedere keer maakte ze braaf aantekeningen tijdens de workshop. Haar c.v. op orde brengen, solliciteren, en de opdracht invullen. Ze begreep het allemaal niet zo goed, maar daar liet ze niets van merken. Want ze wist hoe mensen kunnen reageren, als ze weten dat je niet zo slim bent. Maar inmiddels staat het water haar aan de lippen. Schulden, stress… hoe moet ze nu aan geld komen?

Menig gemeenteraadslid is er dol op. Evalueren. Nu dat zo ongrijpbare sociale domein gedecentraliseerd is, hebben raadsleden tal van vragen. Hoe komt het dat we tekorten hebben? Ligt dat aan de modellen uit Den Haag, of doen wij iets verkeerd? Zet onze lokale aanpak zoden aan de dijk, of moet het roer om? Om grip te krijgen op deze vragen, verantwoorden sociale professionals zich een slag in de rondte. Zodat beleidsmakers aan het eind van de maand kunnen tellen. Hoeveel mensen we hebben geholpen? en zijn dat er meer of minder zijn dan in vorige jaren…

Maar kijk naar Denny. Denny belandde een paar maanden geleden op de intensive care van de GGZ. Hij wilde een eind aan z’n leven maken. Met wat structuur en medicatie ging het gelukkig al snel beter. Drie weken later werd hij ontslagen. Omdat hij bang was weer depressief te worden, zocht hij naar een geschikte behandelaar. Maar nergens kwam hij binnen. Omdat Denny een licht verstandelijke beperking heeft, zijn maar een paar gespecialiseerde GGZ-instellingen in staat hem te helpen. Bij geen enkele instelling kon Denny terecht. Want zijn verstandelijke beperking was pas na z’n 18e gediagnosticeerd. Daarom had hij geen recht op WLZ-financiering, volgens het CIZ. En een contract met de zorgverzekeraar was er ook niet.

Vrijwel iedere week komen we mensen zoals Yvonne of Denny tegen. Mensen die om welke reden dan ook, niet geholpen worden. Dat leidt vaak tot steeds grotere problemen. En veel maatschappelijke kosten. Want naarmate we langer wachten met mensen helpen, wordt de kans steeds groter dat hun bestaande problemen escaleren.

De tragiek van de gemeenteraad is dat zij alleen zicht krijgt op wie wél geholpen is. Welke activiteiten wél ondernomen zijn. Zodra we mensen hebben uitgesloten van dienstverlening, verliezen we ze uit het oog. Dat is niet alleen jammer voor de Yvonnes en de Dennys van deze wereld. Het is ook een gemiste kans voor de organisaties die Yvonne en Denny uitsluiten. Omdat we zo ook mensen uitsluiten die wel recht hebben op een voorziening, maar niet in staat zijn om zichzelf daar toegang toe te verschaffen. Niet vanwege een gebrek aan motivatie. Maar omdat ze het simpelweg niet lukt. Vanwege een verstandelijke beperking, niet aangeboren hersenletsel, of psychische problematiek. En juist die mensen moeten we niet uit het oog verliezen. Laten we daarom ook vaker evalueren wie we niet geholpen hebben. En als we constateren dat mensen het niet zelfstandig kunnen, we ze niet uit-, maar juist insluiten.

Deze column verscheen eind april in de papieren Zorg+Welzijn

Woonproblemen zijn woonproblemen

Sommige dingen zijn vreselijk onhandig en oneerlijk georganiseerd. Neem nou Stan. Een leuke gast van 20 jaar. Die zich maar mooi heeft ontworsteld aan een al te ruig puberbestaan. En die inmiddels een redelijke verstandhouding heeft met zijn zwakbegaafde moeder. Hij heeft dingen geleerd de afgelopen jaren. Over het leven en zichzelf. Over geld. Over huishouden. Zijn vaste woonbegeleider Wendy heeft hem in een paar jaar tijd een basis meegegeven, die zijn moeder hem nooit had kunnen bijbrengen. Nu is Stan er klaar voor. Hij kan op eigen benen staan. Weg uit de beschermende voorziening waar ie een paar jaar vertoefde.

Maar ja. Waar moet ie naartoe? En waarvan moet ie dan gaan leven? Stan heeft geen recht op een volledige bijstandsuitkering, waarmee hij zichzelf kan onderhouden. Hij zou naar school kunnen gaan, en bijlenen bij de DUO. Maar hij heeft geen idee welke opleiding hij wil gaan doen. Het liefst zou hij daar nog even over nadenken. Hoe moet hij dan een huis of een kamer betalen? De huurtoeslag voor een 20-jarige zet ook al geen zoden aan de dijk. Stan zit helemaal klem. Hij kan wonen. Hij kan op zichzelf. Daar heeft ie samen met Wendy juist zo hard aan gewerkt de laatste paar jaar. En nu hij er persoonlijk aan toe is, blijkt dat het praktisch haast onmogelijk is.

Wendy heeft vorige week uitvoerig alle mogelijkheden met Stan doorgenomen. Maar ze kwamen er samen niet uit. Er is geen geld, er zijn geen goedkope huizen. Daar kwam het telkens weer op neer. Dus ze hebben het maar over een andere boeg gegooid. “Zo zijn er wel meer in jouw situatie”, had Wendy nog gezegd over de oplossing die ze wel konden bedenken. Stans indicatie voor beschermd wonen wordt met een jaar verlengd. Ze hebben tegen de gemeente gezegd dat hij er nog niet klaar voor is. Omdat ie financieel nog te instabiel is. En hij heeft geen “zinvolle dagbesteding”. Daardoor zou zelfstandig wonen onmogelijk een succes kunnen worden. En dus stroomt Stan komend jaar nog niet uit.

In zijn boek ‘Zorg en de Staat’ staat Abram de Swaan kort stil bij het fenomeen van medicalisering van verschijnselen in de samenleving. Om problemen als gevolg van die maatschappelijke verschijnselen met publieke middelen op te lossen, hebben we een professioneel label nodig. Want, met dat label openen deuren van verzorgingsstatelijke voorzieningen zich. In het geval van Stan, en vele anderen, medicaliseren we zijn woonprobleem. Dat gebeurt aan de lopende band.

Er is geen huis en geen geld. En dus doen we alsof Stan er nog niet klaar voor is om uit te stromen uit beschermd wonen. Zo houden we, keurig afgedekt met indicatie, een plek bezet die 60.000 euro per jaar kost. Een huis en een uitkering kosten nauwelijks een derde van dat bedrag. Doe er nog wat ambulante begeleiding bij, en je zit op de helft. Als we woonproblemen nu eens als woonproblemen zouden beschouwen, en niet medicaliseren, dan is Stan beter af en zijn wij goedkoper uit.

 

Deze column verscheen eerder deze maand in de papieren Zorg+Welzijn

Claimgedrag

We horen het de laatste jaren steeds vaker: Moeder wil altijd alleen maar het beste voor haar kinderen. En dan niet als compliment maar vreemd genoeg als verwijt. Dat vinden wij raar. Als diagnose, van bijvoorbeeld een obsessief-compulsieve persoonlijkheidsstoornis, zouden wij die opmerking nog kunnen begrijpen. Maar een behandelplan voor dit claimgedrag komen we nooit tegen. Het wordt nooit als ziektebeeld genoemd. Het is vooral vervelend gedrag. En als hulpverlener kun je er bijna nooit aan voldoen. Want als je het ene probleem hebt opgelost, mag je weer aan de slag met het volgende probleem. Maar zeg nou zelf, welke moeder wil niet alleen maar het beste voor haar kinderen?

Wat ook raar is, is dat het eigenlijk nooit om het aller beste gaat. Wat ouders willen is vaak best wel normaal. Vorige week wilde een moeder een anti-allergeen matrasje en dito beddegoed voor haar allergische zoontje. En ook voor z’n twee broers waar hij mee op de kamer slaapt, en speelt. Niet bepaald luxe, met twee broertjes een kamertje delen om in te spelen en slapen. Maar voor sommige professionals was een matras voor zijn broertjes er te veel aan. Dat was toch wel erg overdreven. Waar was dat voor nodig?

Een andere moeder wilde graag dat de instelling die de opvoeding van haar zoontje ging overnemen extra goed haar best zou doen. Bij de vorige drie instellingen was het opvoeden niet gelukt. Haar zoontje zat telkens binnen een jaar weer thuis. Nu ging ze er zelf op toezien dat het deze keer goed zou gaan. Maar de instelling wilde geen enkele bemoeienis van moeder bij hun werkzaamheden. Sterker nog, zij maakten moeder duidelijk dat het averechts zou werken als zij zich met alles wat niet perfect verloopt in de instelling zou gaan bemoeien. Bovendien behandelen ze in de instelling iedereen even goed en dat is vaak meer dan voldoende. Moeder smeet uit blinde woede haar koffie kopje kapot tegen de muur. Ze had dus al drie keer instellingen meegemaakt waar precies dat, niet voldoende was voor haar zoon! En dat wilde ze nu duidelijk maken.

Haar zoontje werd niet toegelaten tot de instelling. Moeder was te agressief richting het personeel, en had veel te hoge eisen aan de behandeling van haar zoontje. Wij zouden eerder zeggen dat moeder gefrustreerd is in plaats van agressief en proberen haar grote zorgen om haar zoontje ten productieve te kanaliseren. Dat dit niet de hoofdtaak van een jeugdinstelling is kunnen we begrijpen. Maar laten we op zijn minst waarderen dat ouders het beste voor hun kinderen claimen. Zeker als ze al jaar in jaar uit iedere toegang tot iedere voorziening hebben moeten bevechten. En zeker als ondanks al die goede bedoelingen iemand nog steeds sub-optimale hulp krijgt. Hulp die de problemen niet oplost, maar hooguit tijdelijk stabiliseert. En laten we op zijn best claimgedrag niet meer gebruiken als argument om voorzieningen niet toe te kennen. Laten we naar slimmere wegen zoeken om dit gedrag te voorkomen en te verbeteren. Door iets niet toe te kennen helpen we mensen echt niet beter hun gedrag aan te passen.

Deze Column verscheen eind februari in de papieren Zorg+Welzijn