Hoezo je eigen broek ophouden…

We horen het steeds vaker: “burgerinitiatieven moeten hun eigen broek ophouden.” Hoe burgerinitiatieven precies hun broek op moeten houden is ons niet duidelijk. Dat vertellen de lokale beleidsmakers, inkopers en subsidieverstrekkers er niet bij. Burgers moeten vooral “creatief zijn en niet altijd direct bij de gemeente aankloppen.” En als we doorvragen naar waar ze dan wel moeten aankloppen met al hun creativiteit krijgen we vaak het de nieuwe toverwoord te horen: de markt. “Bij de markt moeten ze aankloppen om hun broek op te houden.” Maar hoe ziet die markt er eigenlijk uit?

Rob is een initiatief begonnen om mensen met psychische en psychiatrische problemen naar werk te begeleiden. Toen hij zelf ziek was, heeft hij geleerd dat we dat in Nederland niet goed doen. We benaderen mensen teveel vanuit de ziekte; vanuit hun beperking. Daardoor krijgen mensen zelden een normale baan. In een normale omgeving. Terwijl dat goed mogelijk is, zo laat Rob al jaren zien. Meer dan 50 procent van de mensen die hij helpt vindt een normale baan. Terwijl ze anders dagbesteding zouden doen. Dat is extreem hoog voor deze doelgroep. Maar hoe moet Rob zijn broek ophouden? Op welke markt moet hij shoppen om nog meer mensen naar een normale baan te begeleiden?

Rob is behoorlijk creatief in het meekrijgen van werkgevers om deze doelgroep een normale baan te geven. Maar om vervolgens deze werkgevers ook nog voor zijn diensten te laten betalen zoals een commercieel uitzendbureau zou doen, dat voert wat ver. De enige markt waar Rob zich toe kan wenden is die van de gemeente. De gemeente koopt normaal voor deze doelgroep participatietrajecten, dagbesteding en begeleiding in. Maar Rob wil niet in deze markt werken. Als een soort nieuwe zorgclub. Hij wendt zich tot de gemeente omdat hij denkt dat deze voorzieningen voor een belangrijk deel failliet zijn. Ze werken niet voor de mensen die hij naar een normale baan begeleidt. En volgens Rob komt dat doordat de gemeente haar voorzieningen verkeerd inkoopt.

Daarom wil Rob de gemeente leren dat ze hun middelen beter anders kunnen inzetten. Maar dat lukt niet. Wel kloppen veel professionals hem geregeld op zijn schouders. Wat fantastisch dat hij dit als vrijwilliger doet. Maar Rob wil geen schouderklopjes. Rob wil dat mensen met een psychische of psychiatrische beperking als normaal worden gezien en begeleid. Maar hoe harder hij vrijwillig blijft rennen, des te minder verandert de markt om hem heen. En die markt is links- of rechtsom van de gemeente.

Ook na de decentralisaties zien we nog veel initiatiefnemers zoals Rob. Ze zijn ooit een initiatief gestart omdat er iets in onze gigantische verzorgingsstaat in hun ogen ontbrak of niet goed geregeld is. Vaak is daar per definitie geen markt voor. Als er geld voor was, had het immers wel al professioneel bestaan.

Gemeenten die willen dat dit soort initiatieven hun broek ophouden, houden hun eigen failliete markt in stand. Ten koste van de vrijwillige energie die bewoners er in steken. De uitdaging is om initiatieven zo te bekostigen dat ze helpen om failliete onderdelen van onze verzorgingsstaat te verbeteren. Want daar zijn de meest initiatiefnemers hun initiatief om begonnen.

Dit is de blinde vlek van de verzorgingsstaat

“Deze keer zou het toch moeten lukken?”, dacht Tony. Hij was al twee keer eerder bij de gemeente geweest om schuldhulpverlening aan te vragen. Toen hij zijn baan kwijtraakte, lukte het niet meer om maandelijks alle rekeningen te betalen.

De huur en het gas, water, licht gingen nog net. Maar al snel liep Tony achter met het betalen van zijn zorgverzekering, en het lukt hem niet om die achterstand in te halen. Daar heeft hij hulp bij nodig. Lees verder.

Eigen schuld dikke bult: het onnodige moeras van schulden

Michael is 32 jaar. Hij heeft een tijdje in een psychiatrische instelling gezeten, maar inmiddels woont hij weer in een beschermdwonencomplex. Daar vindt hij het veel prettiger, want hij heeft er meer vrijheid. Hij bouwt langzaam maar zeker zijn eigen leven weer op. Zolang hij geen grote stress ervaart, gaat dat goed. Van zijn uitkering kan hij net rondkomen.

Maar dan slaat het noodlot toe. De Belastingdienst stuurt hem een brief. Over de kinderopvangtoeslag van een paar jaar geleden die Michael nog moet terugbetalen. Die is toen verkeerd berekend. Of hij even 4000 euro wil overmaken. Het liefst een beetje snel. Lees verder

Beste overheid, stop met die leeftijdsgrens voor zorg

Een psychose houdt niet op op de dag dat je achttien jaar wordt, maar de zorg die je krijgt wel. Albert Jan Kruiter en Eelke Blokker over de bizarre leeftijdsgrens die de overheid hanteert.

Loes wordt over drie weken achttien jaar. Dat is een probleem. Loes zit in een zorginstelling. En als ze achttien wordt, houdt de financiering van haar zorg op. Niet omdat ze geen zorg meer nodig heeft. Maar omdat ze achttien wordt. Ze weet nog niet wat ze dan gaat doen. Terug naar haar ouders kan ze niet. Een eigen kamer misschien? Maar hoe gaat ze dat betalen? En waar dan? Lees verder

Meten is Weten

Yvonne is diep ongelukkig. Weer een afwijzing. Laatst probeerde ze het voor de vier keer. Telkens was het spannend. Telkens moest ze een drempel over. Maar ze ging toch naar de sociale dienst. Want ze had die uitkering echt nodig. Iedere keer maakte ze braaf aantekeningen tijdens de workshop. Haar c.v. op orde brengen, solliciteren, en de opdracht invullen. Ze begreep het allemaal niet zo goed, maar daar liet ze niets van merken. Want ze wist hoe mensen kunnen reageren, als ze weten dat je niet zo slim bent. Maar inmiddels staat het water haar aan de lippen. Schulden, stress… hoe moet ze nu aan geld komen?

Menig gemeenteraadslid is er dol op. Evalueren. Nu dat zo ongrijpbare sociale domein gedecentraliseerd is, hebben raadsleden tal van vragen. Hoe komt het dat we tekorten hebben? Ligt dat aan de modellen uit Den Haag, of doen wij iets verkeerd? Zet onze lokale aanpak zoden aan de dijk, of moet het roer om? Om grip te krijgen op deze vragen, verantwoorden sociale professionals zich een slag in de rondte. Zodat beleidsmakers aan het eind van de maand kunnen tellen. Hoeveel mensen we hebben geholpen? en zijn dat er meer of minder zijn dan in vorige jaren…

Maar kijk naar Denny. Denny belandde een paar maanden geleden op de intensive care van de GGZ. Hij wilde een eind aan z’n leven maken. Met wat structuur en medicatie ging het gelukkig al snel beter. Drie weken later werd hij ontslagen. Omdat hij bang was weer depressief te worden, zocht hij naar een geschikte behandelaar. Maar nergens kwam hij binnen. Omdat Denny een licht verstandelijke beperking heeft, zijn maar een paar gespecialiseerde GGZ-instellingen in staat hem te helpen. Bij geen enkele instelling kon Denny terecht. Want zijn verstandelijke beperking was pas na z’n 18e gediagnosticeerd. Daarom had hij geen recht op WLZ-financiering, volgens het CIZ. En een contract met de zorgverzekeraar was er ook niet.

Vrijwel iedere week komen we mensen zoals Yvonne of Denny tegen. Mensen die om welke reden dan ook, niet geholpen worden. Dat leidt vaak tot steeds grotere problemen. En veel maatschappelijke kosten. Want naarmate we langer wachten met mensen helpen, wordt de kans steeds groter dat hun bestaande problemen escaleren.

De tragiek van de gemeenteraad is dat zij alleen zicht krijgt op wie wél geholpen is. Welke activiteiten wél ondernomen zijn. Zodra we mensen hebben uitgesloten van dienstverlening, verliezen we ze uit het oog. Dat is niet alleen jammer voor de Yvonnes en de Dennys van deze wereld. Het is ook een gemiste kans voor de organisaties die Yvonne en Denny uitsluiten. Omdat we zo ook mensen uitsluiten die wel recht hebben op een voorziening, maar niet in staat zijn om zichzelf daar toegang toe te verschaffen. Niet vanwege een gebrek aan motivatie. Maar omdat ze het simpelweg niet lukt. Vanwege een verstandelijke beperking, niet aangeboren hersenletsel, of psychische problematiek. En juist die mensen moeten we niet uit het oog verliezen. Laten we daarom ook vaker evalueren wie we niet geholpen hebben. En als we constateren dat mensen het niet zelfstandig kunnen, we ze niet uit-, maar juist insluiten.

Deze column verscheen eind april in de papieren Zorg+Welzijn

Woonproblemen zijn woonproblemen

Sommige dingen zijn vreselijk onhandig en oneerlijk georganiseerd. Neem nou Stan. Een leuke gast van 20 jaar. Die zich maar mooi heeft ontworsteld aan een al te ruig puberbestaan. En die inmiddels een redelijke verstandhouding heeft met zijn zwakbegaafde moeder. Hij heeft dingen geleerd de afgelopen jaren. Over het leven en zichzelf. Over geld. Over huishouden. Zijn vaste woonbegeleider Wendy heeft hem in een paar jaar tijd een basis meegegeven, die zijn moeder hem nooit had kunnen bijbrengen. Nu is Stan er klaar voor. Hij kan op eigen benen staan. Weg uit de beschermende voorziening waar ie een paar jaar vertoefde.

Maar ja. Waar moet ie naartoe? En waarvan moet ie dan gaan leven? Stan heeft geen recht op een volledige bijstandsuitkering, waarmee hij zichzelf kan onderhouden. Hij zou naar school kunnen gaan, en bijlenen bij de DUO. Maar hij heeft geen idee welke opleiding hij wil gaan doen. Het liefst zou hij daar nog even over nadenken. Hoe moet hij dan een huis of een kamer betalen? De huurtoeslag voor een 20-jarige zet ook al geen zoden aan de dijk. Stan zit helemaal klem. Hij kan wonen. Hij kan op zichzelf. Daar heeft ie samen met Wendy juist zo hard aan gewerkt de laatste paar jaar. En nu hij er persoonlijk aan toe is, blijkt dat het praktisch haast onmogelijk is.

Wendy heeft vorige week uitvoerig alle mogelijkheden met Stan doorgenomen. Maar ze kwamen er samen niet uit. Er is geen geld, er zijn geen goedkope huizen. Daar kwam het telkens weer op neer. Dus ze hebben het maar over een andere boeg gegooid. “Zo zijn er wel meer in jouw situatie”, had Wendy nog gezegd over de oplossing die ze wel konden bedenken. Stans indicatie voor beschermd wonen wordt met een jaar verlengd. Ze hebben tegen de gemeente gezegd dat hij er nog niet klaar voor is. Omdat ie financieel nog te instabiel is. En hij heeft geen “zinvolle dagbesteding”. Daardoor zou zelfstandig wonen onmogelijk een succes kunnen worden. En dus stroomt Stan komend jaar nog niet uit.

In zijn boek ‘Zorg en de Staat’ staat Abram de Swaan kort stil bij het fenomeen van medicalisering van verschijnselen in de samenleving. Om problemen als gevolg van die maatschappelijke verschijnselen met publieke middelen op te lossen, hebben we een professioneel label nodig. Want, met dat label openen deuren van verzorgingsstatelijke voorzieningen zich. In het geval van Stan, en vele anderen, medicaliseren we zijn woonprobleem. Dat gebeurt aan de lopende band.

Er is geen huis en geen geld. En dus doen we alsof Stan er nog niet klaar voor is om uit te stromen uit beschermd wonen. Zo houden we, keurig afgedekt met indicatie, een plek bezet die 60.000 euro per jaar kost. Een huis en een uitkering kosten nauwelijks een derde van dat bedrag. Doe er nog wat ambulante begeleiding bij, en je zit op de helft. Als we woonproblemen nu eens als woonproblemen zouden beschouwen, en niet medicaliseren, dan is Stan beter af en zijn wij goedkoper uit.

 

Deze column verscheen eerder deze maand in de papieren Zorg+Welzijn

Claimgedrag

We horen het de laatste jaren steeds vaker: Moeder wil altijd alleen maar het beste voor haar kinderen. En dan niet als compliment maar vreemd genoeg als verwijt. Dat vinden wij raar. Als diagnose, van bijvoorbeeld een obsessief-compulsieve persoonlijkheidsstoornis, zouden wij die opmerking nog kunnen begrijpen. Maar een behandelplan voor dit claimgedrag komen we nooit tegen. Het wordt nooit als ziektebeeld genoemd. Het is vooral vervelend gedrag. En als hulpverlener kun je er bijna nooit aan voldoen. Want als je het ene probleem hebt opgelost, mag je weer aan de slag met het volgende probleem. Maar zeg nou zelf, welke moeder wil niet alleen maar het beste voor haar kinderen?

Wat ook raar is, is dat het eigenlijk nooit om het aller beste gaat. Wat ouders willen is vaak best wel normaal. Vorige week wilde een moeder een anti-allergeen matrasje en dito beddegoed voor haar allergische zoontje. En ook voor z’n twee broers waar hij mee op de kamer slaapt, en speelt. Niet bepaald luxe, met twee broertjes een kamertje delen om in te spelen en slapen. Maar voor sommige professionals was een matras voor zijn broertjes er te veel aan. Dat was toch wel erg overdreven. Waar was dat voor nodig?

Een andere moeder wilde graag dat de instelling die de opvoeding van haar zoontje ging overnemen extra goed haar best zou doen. Bij de vorige drie instellingen was het opvoeden niet gelukt. Haar zoontje zat telkens binnen een jaar weer thuis. Nu ging ze er zelf op toezien dat het deze keer goed zou gaan. Maar de instelling wilde geen enkele bemoeienis van moeder bij hun werkzaamheden. Sterker nog, zij maakten moeder duidelijk dat het averechts zou werken als zij zich met alles wat niet perfect verloopt in de instelling zou gaan bemoeien. Bovendien behandelen ze in de instelling iedereen even goed en dat is vaak meer dan voldoende. Moeder smeet uit blinde woede haar koffie kopje kapot tegen de muur. Ze had dus al drie keer instellingen meegemaakt waar precies dat, niet voldoende was voor haar zoon! En dat wilde ze nu duidelijk maken.

Haar zoontje werd niet toegelaten tot de instelling. Moeder was te agressief richting het personeel, en had veel te hoge eisen aan de behandeling van haar zoontje. Wij zouden eerder zeggen dat moeder gefrustreerd is in plaats van agressief en proberen haar grote zorgen om haar zoontje ten productieve te kanaliseren. Dat dit niet de hoofdtaak van een jeugdinstelling is kunnen we begrijpen. Maar laten we op zijn minst waarderen dat ouders het beste voor hun kinderen claimen. Zeker als ze al jaar in jaar uit iedere toegang tot iedere voorziening hebben moeten bevechten. En zeker als ondanks al die goede bedoelingen iemand nog steeds sub-optimale hulp krijgt. Hulp die de problemen niet oplost, maar hooguit tijdelijk stabiliseert. En laten we op zijn best claimgedrag niet meer gebruiken als argument om voorzieningen niet toe te kennen. Laten we naar slimmere wegen zoeken om dit gedrag te voorkomen en te verbeteren. Door iets niet toe te kennen helpen we mensen echt niet beter hun gedrag aan te passen.

Deze Column verscheen eind februari in de papieren Zorg+Welzijn

Vaker de Jeugdwet in stelling brengen

Ellis heeft een probleem. Een klein jaar geleden is ze met haar dochtertje van twee vertrokken bij de ouders van haar vriend. Daar woonde het jonge gezin omdat er geen passende woning beschikbaar was. Maar de spanningen in het te kleine huis liepen zo hoog op dat het niet alleen meer bij woorden bleef. Daarom is Ellis vertrokken. Naar een andere gemeente, waar ook geen passende woning beschikbaar is. Maar wel een woning die ze kan betalen. Maar daar mag ze zich van de verhuurder niet inschrijven. Als ze dat doet kan ze vertrekken, zegt haar huurbaas.

De gemeente waar Ellis woonde heeft haar inmiddels uitgeschreven omdat ze daar niet meer woont. Ellis redde zich tot nog toe met een flex-contract bij een hotel. Maar daar is steeds minder werk, en dus minder inkomen. Ellis kan de huur niet meer betalen en heeft net genoeg geld om te eten. De hulpverleners uit de gemeente waar Ellis woonde zeggen dat ze niks meer kunnen doen, omdat ze is uitgeschreven. Maar de nieuwe gemeente kan haar pas met inkomen helpen als Ellis zich inschrijft. Op het adres waar ze nu woont. Maar dat mag niet van haar huurbaas. Beide gemeenten hebben geen passende betaalbare woning beschikbaar, en zonder inschrijving komt ze niet in aanmerking voor urgentie. Het enige advies dat ze kunnen geven is om de illegale huursituatie te verlaten en zich met haar dochter bij de maatschappelijke opvang te melden.

Soortgelijke situaties komen we bijna wekelijks tegen in het land. Gemeenten vinden de Wet Basisregistratie Personen(BPR) en lokale regels rond het verkrijgen van een postadres belangrijker dan het klimaat waarin ouders hun kinderen opvoeden. Of althans, dat is op zijn minst de consequentie van de manier waarop de regels worden toegepast. Maar er is ook een andere wet, namelijk de Jeugdwet. Daarin staat in artikel 2.1 bijvoorbeeld dat gemeenten de veiligheid van de opvoedsituatie moeten kunnen bevorderen en het opvoedkundige klimaat in gezinnen versterken. Ook staat er dat er integrale hulp aan gezinnen en kinderen mogelijk moet zijn. Maar voor zo’n integraal plan is een integrale afweging nodig en die afweging komt zelden tot stand. Hoe kan dit?

In juridische zin is het ‘not done’ om wetten tegen elkaar af te wegen. Iedere wet heeft betrekking op haar eigen rechtsgebied en staat aldus op zichzelf. Maar in maatschappelijke zin kunnen we ons wel degelijk afvragen wat we als samenleving belangrijker vinden. De toepassing van de wet op de basisregistratie, of het versterken van het opvoedklimaat rond Ellis en haar dochtertje. Of scherper geformuleerd, welke wet overtreden we liever? De Wet Basisregistratie Personen, De Woningwet(woonfraude), of de Jeugdwet? Wij zouden het wel weten. Maar de mensen die, die afweging kunnen en moeten maken zitten zelden bij een multidisciplinair overleg aan tafel. Zaten die mensen wel aan tafel, dan hoefde er verder ook geen andere hulpverleners aanwezig te zijn. Want Ellis kan prima voor haar dochter zorgen, ze heeft alleen geen passende woning en onvoldoende inkomen. Daar is geen integraal plan voor nodig, maar een afweging waarin we een huis en inkomen voorliggend op jeugdhulp en maatschappelijke opvang maken.

Deze column verscheen in januari 2017 in de papieren Zorg+Welzijn

De Algemene Beginselen van Behoorlijk Maatwerk

Het bestuursrecht kent de Algemene Beginselen van Behoorlijk Bestuur. Dit zijn spelregels die de relatie tussen overheid en burger in goede banen moeten leiden. Helaas zien wij nog vaak dat deze beginselen met voeten getreden worden. Daardoor worden mensen minder goed geholpen dan mogelijk is.

Gelukkig zijn er genoeg redenen en mogelijkheden om mensen wel goed te helpen. Om maatwerk te leveren. En om de mooie belofte van maatwerk kracht bij zetten formuleren wij hier de Algemene Beginselen van Behoorlijk Maatwerk.

  1. Zonder plan geen maatwerk

Professionals moeten maatwerk goed motiveren. Het gezin moet begrijpen waar het maatwerk uit bestaat, wat er van hen verwacht wordt en wat zij zelf mogen verwachten. Alle betrokken professionals moeten weten waarom dit specifieke maatwerk voor dit gezin nodig is. En zowel het gezin als de professionals moeten er allemaal volledig achterstaan, natuurlijk. Niet alleen achter hun eigen onderdeel. Een goed maatwerkplan brengt dit allemaal samen. We komen in de praktijk nog maar weinig complete plannen tegen.

  1. Bureaucratie is geen lastpak maar je beste vriend

Leer van de regels houden. Alleen dan kun je er gebruik van maken. Regels kunnen veel kansen mogelijk maken en zijn nooit bedoeld om gezinnen dwars te zitten. Als dit in de praktijk wel het geval is ga dan op zoek naar de bedoeling achter de regel. En kijk of die bedoeling een uitzondering rechtvaardigt. Zo staan er in de participatiewet artikelen op basis waarvan mensen een uitkering ontzegd kan worden, maar er staan ook artikelen in op basis waarvan gemeenten een uitkering kunnen toekennen.

  1. Omarm het ongelijkheidsbeginsel

Jarenlang hebben we vooral ongelijke gevallen gelijk proberen te behandelen. Maar ongelijke gevallen gelijk behandelen is ministens zo onrechtvaardig als gelijke gevallen ongelijk behandelen. Voor het leveren van maatwerk is het essentieel dat we ongelijke gevallen leren behandelen naarmate ze verschillen.

  1. Eén wet uitvoeren is geen wet uitvoeren.

Wat doe je als een gezin alleen door woonfraude door de vingers te zien onderdak kan krijgen? En de gemeente geen andere passende voorzieningen beschikbaar heeft op dat moment? Pas je dan de Woningwet toe waardoor het gezin zonder hulp op straat komt te staan en de gemeente de Jeugdwet overtreedt. Of voer je de Jeugdwet uit en overtreed je de Woningwet? Maatwerk begint met het in kaart brengen van verschillende wetten en de mogelijkheden die ze bieden.

  1. Zelfredzaamheid is geen uitsluitingscriterium.

Als mensen zelf dingen kunnen of een netwerk hebben is dat mooi meegenomen. Maar de verzorgingsstaat is ontworpen voor die mensen die zichzelf niet helpen. Vergeet dat nooit. Dus het inzetten van eigenkracht of netwerk mag voorliggend zijn, het mag nooit voorwaardelijk worden voor goede hulp en zorg.

  1. Precedentwerking is een zegen

Als een maatwerkoplossing goed werkt voor een gezin dan moet de gemeente het toejuichen dat andere gezinnen ook die oplossing komen vragen. Leer die aanzuigende werking te gebruiken om het verschil te maken. Dus, ja, als je denkt of hoort: “zo ken ik er nog wel tien…,” Dan biedt dat een kans: help ze dan allemaal zo!

  1. Boze mensen hebben dezelfde rechten

Mensen die boos zijn, schelden, of vloeken verliezen daarmee niet hun recht op zorg, hulp, of sociale zekerheid. Het is vervelend om met boze mensen om te gaan, maar zij hebben onze hulp hard nodig. Vaak nog meer dan mensen die de rust kunnen bewaren.

  1. Gebruik geld om toegang mogelijk te maken

Geld opent deuren, maar het sluit ook deuren. Veel voorzieningen verstrekken we beperkt om te voorkomen dat de kosten te hoog oplopen. Goed maatwerk gaat uit van de omgekeerde redenering. We laten mensen juist toe tot bepaalde voorzieningen om te voorkomen dat de kosten hoog oplopen. Maak daarom de kosten en baten van maatwerk expliciet. Dat helpt als argument om mensen toe te laten.

  1. Voorkom relatieve opwaardering

Er zijn altijd voorbeelden die nog schrijnender, urgenter en zieliger zijn dan het gezin waar je maatwerk voor ontwerpt. Maar het feit dat andere gezinnen er erger aan toe zijn heeft weinig te maken met het plan voor het gezin waar je op dat moment maatwerk voor maakt. Als er mensen zijn die er ‘nog erger’ aan toe zijn, hebben die ook maatwerk nodig. Het kan nooit een reden zijn om anderen niet te helpen.

  1. Geen meningen zonder oplossing

Gebruik meningen en beelden over gezinnen alleen om een oplossing te ontwerpen. Niet om oplossingen af te schieten. Je mag er pas wat van vinden, als je er iets van kan maken. Voorkom insinuaties en hypothesen over wat het gezin allemaal niet aan zou kunnen en werk oplossingsgericht. Baseer maatwerk op feiten, inschattingen van mensen die het gezin goed kennen en natuurlijk het gezin zelf.

  1. Accepteer geen wetten die niet zwart op wit staan

Wat doe je als iemand zegt dat een oplossing niet mag? Vraag dan van wie niet. Als het antwoord is ‘van de wet!’, vraag dan welke wet. Als het antwoord is, ‘van de jeugdwet’, vraag dan welk artikel. Vaak is de wet minder rigide dan professionals doen voorkomen. Maak daar gebruik van en laat je niet met een juridisch kluitje in het riet sturen.

  1. Deel informatie als dat moet

Natuurlijk moeten we erg terughoudend zijn om gegevens te delen. Maar in sommige gevallen is het toegestaan om informatie te delen als dit nodig is voor de toegang tot of kwaliteit van noodzakelijk hulp, zorg of dienstverlening. Zeker als het gezin toestemming geeft.

  1. Betrek niet te veel professionals

Vanaf de vierde professional maakt iedere professional de problemen alleen maar groter, veelzijdiger en diffuser. Maatwerk wordt dan steeds moeilijker. Bovendien kunnen gezinnen maar een beperkt aantal professionals tegelijkertijd begrijpen. Samenwerken is belangrijk maar overdrijf het niet. Betrek alleen professionals die strikt noodzakelijk zijn om de oplossing dichterbij te brengen. 

  1. Three strikes and you’re in

Als iemand drie keer niet succesvol is behandeld, trajecten zijn gestopt, of cliënten zijn geschorst of weggestuurd, mag de vierde instelling de toegang niet weigeren. Dan ben je ‘binnen’. Dan mag je overal geholpen worden waar je zelf denkt dat zorg het beste aanslaat. Gebruik dat als vuistregel.

  1. Overdrijf het algemeen belang niet

De beginselen van behoorlijk bestuur kennen het evenredigheidsbeginsel. Dit beginsel stelt dat de overheid individuele burgers niet onevenredig in problemen brengt door wetgeving met een algemeen doel. Veel toegangseisen in de zorg beogen een algemeen doel. Laten we in 2017 het belang van het individu met problemen iets vaker boven dat van ons allemaal gaan.

 

(Deze beginselen verschenen eerder deze maand in de papieren Zorg+Welzijn)

 

Wanneer ga je niet meer naast iemand staan?

Wijkteams leren steeds beter om burgers in hun eigen omgeving hun eigen oplossing in handen te geven. Dat zien wij graag. Want het grootste deel van de mensen die ergens de overheid voor nodig heeft, weet heel goed wat die oplossing moet zijn. Niet alleen de mensen die een dakkapel willen, maar ook gezinnen met veel problemen. Om die burger serieus te nemen proberen professionals in de wijk zoveel als mogelijk naast de burger staan. Om op die manier de zelfredzaamheid van burgers maximaal te benutten.

Maar in de decentrale uitvoeringspraktijk is zelfredzaamheid een toetsingsinstrument geworden. Zelfredzaamheid is nodig om toegang te krijgen tot bepaalde zorg of ondersteuning. Om bijvoorbeeld in de schuldsanering te komen moet iemand vooraf laten zien dat hij of zij gemotiveerd is en zelf de administratie kan bijhouden. Wat heeft het immers voor zin om iemand toe te laten tot een traject dat om veel zelfdiscipline vraagt, als de kans groot is dat hij binnen een jaar weer uitvalt?

Maar wat nu als iemand wel zelfredzaam is, maar nu even niet? In het noorden van het land ontmoetten we een zelfstandige, mondige, slimme vrouw. Zij zette een aantal kledingzaken op, terwijl ze als alleenstaande moeder voor haar zoontje zorgde. Maar ze kreeg een miskraam. En de zaken die ze opzette gingen failliet. Toen ze met grote schulden aanklopte bij het wijkteam was ze uitgeput, in slechte gezondheid, en kreeg ze door de stress geen rust in haar hoofd. Het wijkteamlid stond meer dan een jaar naast haar, terwijl mevrouw haar map op orde moest krijgen. Daar zou ze in theorie toe in staat moeten zijn. Steeds was de map bijna gereed, maar ontbrak er een formulier, of was het overzicht niet recent genoeg. Mevrouw begon er steeds minder van te begrijpen. Waarom konden ze niet direct met die sanering beginnen? Of zelf even die map op orde brengen? Op deze manier bleven haar schulden en haar zorgen alleen maar oplopen. En haar gezondheid ging achteruit.

Haar schulden en gezondheid maakte haar tijdelijk niet zelfredzaam. En daarom zocht ze hulp. Maar om toegang te krijgen tot het instrument dat haar weer zelfredzaam zou kunnen maken, moest ze al een voorschot kunnen nemen op die toekomstige zelfredzaamheid. Zo wordt zelfredzaamheid een dogma. Iemand is zelfredzaam, of niet. En op die manier blijft er geen ruimte over voor een fluïde begrip van zelfredzaamheid. Waar het een eigenschap is die iemand ook een tijdje kwijt kan zijn, en juist daarom ondersteuning nodig heeft. Met als resultaat dat mensen als de alleenstaande moeder in de draaideur van het voorportaal van de schuldhulpverlening komen vast te zitten.

Door op zulke momenten naast iemand te staan helpt de professional de burger net niet. Ondanks dat iemand in principe zelfredzaam is, kan het heel zinnig zijn om het een paar maanden volledig van iemand over te nemen. Zodat die persoon daarna weer zelfredzaam kan zijn.

Deze column verscheen eerder in Zorg+Welzijn