Mensen zijn tot alles bereid om gelukkig te worden. We zien ze weleens in die sympathieke televisieprogramma’s: gezinnen die de drukte van Nederland ontvluchten, om een fijn klein hotelletje in een slaperig dorp in Bretagne te starten. Meestal begint de ellende al, voordat ze de Nederlandse grens gepasseerd zijn. Genieten op vrijdagavond voor de buis. Maar “the persuit of happiness”, zoals de Amerikanen dat zo mooi noemen, is niet voorbehouden aan hen die er, ondanks hun universitaire titel, toch maar voor kiezen om ontbijtjes te gaan serveren in Frankrijk.

Wij komen legio gezinnen tegen die zo diep in de nesten zitten in Nederland, dat ze er op enig moment maar voor kiezen om hun biezen te pakken. Ze gaan naar Engeland of België. Of terug naar hun geboorteland, zoals Egypte of Somalië. Om maar verlost te zijn van alle problemen die ze hier in Nederland maar blijven achtervolgen. Zoals gewelddadige ex-mannen en hongerige schuldeisers. Noem het een vlucht naar voren of opportunisme, maar voor hen is het op dat moment de enige beste keuze die ze voor hun gezin kunnen organiseren.

En net als op de televisie, gaat het ook bij deze gezinnen vaak niet goed. Het geluk lag niet overzees op ze te wachten. Ook daar ontstaan razendsnel nieuwe complicaties in hun leven. En dus keren ze na een jaar of twee berooid en een illusie armer weer terug naar Nederland. Ze melden zich bij de gemeente waar ze het laatst hebben gewoond. En daar, aan dat loket, wordt ze duidelijk dat de problemen waarvoor ze gevlucht zijn nog een eitje waren, vergeleken met de bureaucratische opgave waar ze nu voor staan. De gemeente waar ze altijd hebben gewoond stelt namelijk vast dat het gezin helemaal niet staat ingeschreven in de basisregistratie personen. En dat is een probleem.

Je kan honderd keer Nederlander zijn. Maar als je tegenwoordig niet twee jaar of langer in de basisregistratie staat, en je kunt jezelf niet redden, is er geen gemeente die je nog de voorzieningen verstrekt die je nodig hebt. “Regiobinding”, zeggen ze dan aan het loket. Als je die niet hebt, heb je weliswaar recht op bijstand, maar krijg je het toch niet. En als je geen huis hebt, ben je hartstikke dakloos, maar toegang tot de maatschappelijke opvang is voorbehouden aan hen die zich netjes ingeschreven hebben. Wij kennen situaties van gezinnen die 15 jaar in een stad hebben gewoond, en na drie jaar op zoek naar hun geluk elders, daar geen poot meer aan de grond krijgen.

De “administratieve stadsmuur”, zijn we dit fenomeen bij het IPW maar gaan noemen. En we kunnen ons niet aan de indruk onttrekken dat die muur hoger is geworden, naarmate publieke financiële belangen decentraler werden. Want, daardoor is het ineens relevant geworden dat een dakloze wel een ‘stadseigen’ dakloze is. En dat een zorgbehoevend kind ook echt hier woont. Laten we er alsjeblieft voor waken dat decentrale financiële belangen in de praktijk niet in de weg gaan zitten voor hen die de verzorgingsstaat het hardst nodig hebben.

Deze column verscheen eerder deze deze maand in de papieren Zorg en Welzijn