We horen het steeds vaker: “burgerinitiatieven moeten hun eigen broek ophouden.” Hoe burgerinitiatieven precies hun broek op moeten houden is ons niet duidelijk. Dat vertellen de lokale beleidsmakers, inkopers en subsidieverstrekkers er niet bij. Burgers moeten vooral “creatief zijn en niet altijd direct bij de gemeente aankloppen.” En als we doorvragen naar waar ze dan wel moeten aankloppen met al hun creativiteit krijgen we vaak het de nieuwe toverwoord te horen: de markt. “Bij de markt moeten ze aankloppen om hun broek op te houden.” Maar hoe ziet die markt er eigenlijk uit?

Rob is een initiatief begonnen om mensen met psychische en psychiatrische problemen naar werk te begeleiden. Toen hij zelf ziek was, heeft hij geleerd dat we dat in Nederland niet goed doen. We benaderen mensen teveel vanuit de ziekte; vanuit hun beperking. Daardoor krijgen mensen zelden een normale baan. In een normale omgeving. Terwijl dat goed mogelijk is, zo laat Rob al jaren zien. Meer dan 50 procent van de mensen die hij helpt vindt een normale baan. Terwijl ze anders dagbesteding zouden doen. Dat is extreem hoog voor deze doelgroep. Maar hoe moet Rob zijn broek ophouden? Op welke markt moet hij shoppen om nog meer mensen naar een normale baan te begeleiden?

Rob is behoorlijk creatief in het meekrijgen van werkgevers om deze doelgroep een normale baan te geven. Maar om vervolgens deze werkgevers ook nog voor zijn diensten te laten betalen zoals een commercieel uitzendbureau zou doen, dat voert wat ver. De enige markt waar Rob zich toe kan wenden is die van de gemeente. De gemeente koopt normaal voor deze doelgroep participatietrajecten, dagbesteding en begeleiding in. Maar Rob wil niet in deze markt werken. Als een soort nieuwe zorgclub. Hij wendt zich tot de gemeente omdat hij denkt dat deze voorzieningen voor een belangrijk deel failliet zijn. Ze werken niet voor de mensen die hij naar een normale baan begeleidt. En volgens Rob komt dat doordat de gemeente haar voorzieningen verkeerd inkoopt.

Daarom wil Rob de gemeente leren dat ze hun middelen beter anders kunnen inzetten. Maar dat lukt niet. Wel kloppen veel professionals hem geregeld op zijn schouders. Wat fantastisch dat hij dit als vrijwilliger doet. Maar Rob wil geen schouderklopjes. Rob wil dat mensen met een psychische of psychiatrische beperking als normaal worden gezien en begeleid. Maar hoe harder hij vrijwillig blijft rennen, des te minder verandert de markt om hem heen. En die markt is links- of rechtsom van de gemeente.

Ook na de decentralisaties zien we nog veel initiatiefnemers zoals Rob. Ze zijn ooit een initiatief gestart omdat er iets in onze gigantische verzorgingsstaat in hun ogen ontbrak of niet goed geregeld is. Vaak is daar per definitie geen markt voor. Als er geld voor was, had het immers wel al professioneel bestaan.

Gemeenten die willen dat dit soort initiatieven hun broek ophouden, houden hun eigen failliete markt in stand. Ten koste van de vrijwillige energie die bewoners er in steken. De uitdaging is om initiatieven zo te bekostigen dat ze helpen om failliete onderdelen van onze verzorgingsstaat te verbeteren. Want daar zijn de meest initiatiefnemers hun initiatief om begonnen.