Bij ieder familiedrama komt de vraag op of het voorkomen had kunnen worden. Met de kennis van nu lijkt de gruweldaad namelijk een te voorspellen gevolg van verschillende gebeurtenissen. Dit zagen we ook bij de recente gezinstragiek in Rotterdam. “Wie waren er betrokken bij het gezin? Waarom hebben zij niet op tijd hun kennis gedeeld? Hoe is dit mogelijk in het ICT tijdperk?” Vragen die aantonen hoe gespannen we omgaan met informatievoorziening in het sociale domein. En vragen die ons heilige geloof in de macht van kennis blootleggen.

De vraag of persoonlijke en vertrouwelijke informatie gedeeld moet kunnen worden tussen sociale professionals, vormt de kern van het privacy-debat. Dit debat wordt al jaren gevoerd, maar de gedecentraliseerde werkelijkheid werpt fundamenteel nieuwe vragen op. Dat komt door de ‘ontkokering’. Daardoor werken voorheen gescheiden disciplines nu veel nauwer samen, bijvoorbeeld in wijkteams. Er zijn teams die moeten dealen met crises en dwangzorg, maar het merendeel van de wijkteams heeft vooral te maken met vragen over trapliften, schulden, huishoudelijke hulp of wonen. Het in een crisissituatie veel gehoorde argument over het delen van informatie “Het kan toch niet zo zijn dat we dit niet wisten!” gaat niet bepaald op voor een vrouw op leeftijd die vervoer naar de bingo nodig heeft. Of voor een jonge depressieve man die zijn huis niet meer op orde heeft, maar met behulp van familie en lichte ondersteuning weer vooruit kan.

Toch zullen ook de dossiers van de bingo-mevrouw en de depressieve man in veel gemeenten breed toegankelijk zijn. Niet omdat er sprake is van een potentieel risico, maar vanwege praktische overwegingen. Nu professionals interdisciplinair samenwerken, en ze ook toegang geven tot uiteenlopende vormen van zorg, is de verleiding groot om de dossiers van de bingo-mevrouw niet te onderscheiden van het dossier van een gezin met dwangzorg. Het is toch zeker handig als het hele team in een dossier kan, bijvoorbeeld als iemand ziek is of parttime werkt? En in het geval van crisis kan het toch niet zo zijn dat informatie niet acuut op te vragen is? Zelfs al gaat het merendeel van de ondersteuning niet over (potentiële) crisissituaties?

Bovendien voert de ontkokerde gemeente over meer terreinen de regie, waardoor informatie in de gedecentraliseerde werkelijkheid veel centraler kan worden verzameld. Het koppelen van informatie is na de decentralisatie relevanter én efficiënter geworden. Voor maatwerk is het wel zo gemakkelijk als de professional iets kan opzoeken over mogelijke schulden wanneer er een uitkeringsaanvraag loopt. En het is heel efficiënt als alle collega’s van het gemeentelijk loket even in de dossiers van de wijkteams kunnen checken hoe het met de zorgaanvraag staat. Gemakkelijk: ja. Efficiënt: zeker. Maar is het ook wenselijk? Als we ‘de burger centraal’ willen stellen, hoe centraal staan zijn privacybelangen eigenlijk? Betekent zelfregie in de eerste plaats niet dat de burger baas is over zijn of haar eigen persoonsgegevens?

De socioloog Max Weber sprak bijna 100 jaar geleden over de onttovering van de samenleving. Geloof en rituelen vervingen we door ratio en redeneren. De onttovering hield niet zozeer in dat we alles wisten, maar de illusie hadden dat we ooit alles konden weten. Dat leidde tot een informatie-verzamelwoede die Weber beheersingsweten noemde. Het verzamelen en koppelen van gegevens zegt vooral iets over bureaucratische onzekerheid. Juist daarom moeten we er minder bureaucratisch mee omgaan. Naast efficiency als argument zou rechtmatigheid en wellicht rechtvaardigheid een belangrijker rol moeten spelen bij privacyvraagstukken. Gelukkig biedt de verankering in de grondwet (artikel 10) van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer daar alle mogelijkheden toe.

Auteur(s):  Albert Jan Kruiter, Harry Kruiter, Eelke Blokker, Renée Frissen, Cher Steinfeld, Bram Eidhof

Gepubliceerd in:  Zorg en Welzijn

Datum van publicatie:  25 februari 2015